Het werd Sri Lanka (deel 13)

IMG_9930

‘For real!’

Vlak buiten Anuradhapura, lang geleden de hoofdstad van het land, rijdt onze tuktuk over een zandweggetje door de jungle tot aan de oever van een snel stromend riviertje. Daar zit een geüniformeerde beveiliger in een houten wachtershuisje, als in een Monty Python film. Wat is hier de bedoeling van? Pas dan zien we de smalle wiebelende voetgangershangbrug waarmee we met onze bagage de rivier moeten oversteken om ons volgende verblijf te bereiken.

We komen uit in een weelderige tropische tuin. De receptie bevindt zich in een fraai koloniaal gebouw van opengewerkt donker hout, dat uitkijkt over een groot gazon. Aan de overzijde staan houten huizen op hoge palen. De jongen van de receptie nodigt ons uit om plaats te nemen op het terras, terwijl twee andere personeelsleden het gazon oversteken om onze kamer nog even in orde te maken.

Genietend van een welkomstdrankje stellen we een vraag waar we het antwoord eigenlijk al op weten. Inderdaad zijn we hier de enige gasten. We geven ons er maar aan over. Het mag. Het kan. Het is zoals het is. Waar we tot nu toe tijdens deze reis eindeloos moesten wikken en wegen om tot een besluit te komen, volstaat in dit geval een enkele blik van verstandhouding: het is hier zo onwaarschijnlijk mooi dat we hier verder willen blijven, tot de dag van ons vertrek.

We boeken meteen een nacht extra, niet omdat we bang zijn dat er geen plaats voor ons zal zijn, maar om het hotel een reden te geven om open te blijven. Overal in het land regent het annuleringen. De gemiddelde bezetting schijnt met negentig procent te zijn gedaald. Steeds meer hotels en restaurants kunnen hun personeel niet meer uitbetalen of moeten zelfs hun deuren sluiten.

We brengen de middag door bij het zwembad. Vanuit de jungle om ons heen komen allerlei onbekende geluiden. Zo is er een vogel die de hele tijd ‘for real!’ lijkt te roepen. Dat doet hij steeds harder, steeds hoger en geagiteerder, totdat alleen de beklemtoonde lettergreep overblijft: ‘Ie! Ie! Ie!’ Nadat hij even pauzeert om tot bedaren te komen, begint hij van voren af aan met een rustig en goed gearticuleerd ‘for real!’ Hier is een opname die ik met mijn mobieltje heb gemaakt, met excuses voor de gebrekkige kwaliteit:

Over ‘for real’ gesproken: als ik de volgende ochtend vroeg even een kijkje neem op het balkon van onze paalwoning, moet ik een paar keer met mijn ogen knipperen om er zeker van te zijn dat ik niet droom. Op het gazon onder mij staan een sprookjeskoning en koningin voor een fotograaf te poseren, geflankeerd door hun al even sierlijk geklede gevolg. Ons paradijs blijkt verhuurd te worden als achtergronddecor voor trouwfoto’s, een ritueel dat zich gedurende ons verblijf elke ochtend zal herhalen, telkens met een ander bruidspaar en hun entourage.

Na het ontbijt steken we de hangbrug weer over, waar een tuktuk ons al opwacht voor onze dagtocht langs de talloze ruïnes van de oude hoofdstad, die verspreid liggen over tientallen vierkante kilometers. We hadden verwacht dat we landinwaarts vanzelf weer wat meer andere toeristen zouden tegenkomen, maar twee weken na de aanslagen neemt de leegloop zulke dramatische vormen aan, dat zelfs de topattracties van Anuradhapura er vrijwel verlaten bij liggen.

Op gewone vakanties komt het een enkele keer voor dat je een ander stel reizigers een tweede keer tegenkomt. Hier lijkt het wel of we iedereen al eens eerder hebben gezien. Daar heb je dat verliefde Duitse stelletje uit Ella, daar de vijf Franse studenten uit Nilavelli.

Landgenoten zijn nergens meer te bekennen. De evacuatie is uitermate succesvol verlopen. In een radio-interview meldt de voorzitter van de ANVR dat er ‘echt niet meer dan een handjevol’ Nederlanders ervoor heeft gekozen in Sri Lanka te blijven, om eraan toe te voegen dat hij deze mensen ‘niet verstandig’ vindt.

De leegte om ons heen wordt hoe langer hoe surrealistischer. Waar we in de grotten van Dambulla en bovenop Sigiriya Rock nog de aanwezigheid van drie of vier andere toeristen moesten dulden, hebben we nu een kolossale bakstenen stoepa – schijnbaar ’s werelds grootste – en het uitgestrekte plein eromheen helemaal voor onszelf.

IMG_0119

Hoewel de zon vrijwel loodrecht boven ons staat, mogen we niets op ons hoofd dragen omdat het hier om een boeddhistisch heiligdom gaat. Ook hebben we onze schoenen uit moeten doen alvorens het plein te mogen betreden. Gelukkig zijn we vandaag zo verstandig geweest om sokken mee te nemen. Op blote voeten hadden we echt niet over de kokendhete stenen kunnen lopen.

Als we volkomen gaar gestoofd terugkeren van ons bezoek aan de ruïnes en een verkoelende plons in ‘ons’ zwembad willen nemen, blijken we gezelschap te hebben gekregen van een paar lokale jongeren die hier met wat flessen sterke drank een middagje komen chillen. Ze vallen uiteindelijk mee en gaan tegen zonsondergang ook weer weg.

Hoe leuk we het gisteravond ook vonden om tijdens het eten met het bedienend personeel te kletsen, het was toch een beetje unheimisch om als enigen in een leeg restaurant te dineren. Daarom nemen we ’s avonds opnieuw een tuktuk de stad in, naar een restaurant dat in The Lonely Planet als beste naar voren komt en dus garant zal staan voor enig geroezemoes om ons heen.

We komen binnen via de lobby van het bijbehorende hotel. Een van de drie mannen die daar zitten gebaart dat we met hem mee moeten lopen. We volgen hem een paar trappen op naar een groot overdekt dakterras dat vol staat met gedekte tafels. Ook hier zit niemand. Helemaal niemand.

Maar we kunnen hier gerust eten. En of het restaurant nu vol zit of dat er maar voor twee mensen gekookt hoeft te worden, de rijst met curry wordt altijd vers bereid, zo verzekert de ober ons met gepaste trots. Het duurt dan ook even voordat het eten op tafel staat, maar het is het wachten meer dan waard.

De ober vertelt ons dat hij hier al meer dan twintig jaar werkt. Na drie weken non-stop te werken krijgt hij telkens een week vrij. Dan voegt hij zich bij zijn vrouw en kinderen in Kandy. Dat zullen binnenkort wel twee weken worden, zegt hij gelaten, want ook in het hotel verblijven momenteel geen gasten. Ik hoop maar voor hem dat het bij die twee weken blijft.

Iedereen die we spreken is het erover eens dat het zomerseizoen als verloren beschouwd kan worden. De optimistisch gestemden denken dat alles over een paar maanden wel weer zal aantrekken. Anderen zien het somberder in. Als ik de volgende dag de stad in ga voor een paar laatste boodschappen, stapt een oude man uit zijn geparkeerde tuktuk om een praatje met mij aan te knopen. Het zal jaren duren voordat zijn land deze klap te boven komt, verwacht hij, net als na de tsunami. ‘En we zijn al zo’n arm land. Waarom moesten ze juist hier toeslaan?’

We blijven maar herhalen hoe mooi we hun land vinden. Hoe aardig de mensen hier zijn. En dat we al onze vrienden zullen aanmoedigen om hierheen te komen. Omdat we de talen van hier niet spreken en ons alleen met het allereenvoudigste Engels verstaanbaar kunnen maken, liggen clichés en sentimentaliteit voortdurend op de loer.

Als ik later die middag ons standaardverhaaltje voor de zoveelste keer afdraai, nu tegen een van de twee jongens die we bij het zwembad treffen, een soort dikke Boeddhafiguur, is hij tot mijn schrik tot tranen toe geroerd. Vermoedelijk is dat niet zozeer aan mijn eloquentie te danken, als wel aan de lege fles die in het gras achter hem ligt. Toch helpt zijn reactie mij eraan herinneren hoe erg het allemaal is en dat ik echt meen wat ik zeg. We omhelzen elkaar en hopen het beste voor zijn land.

Na enig speurwerk kom ik erachter dat de ‘for-real’ vogel eigenlijk een ‘koha’ is, een zwarte koekoek met de Latijnse naam Eudynamys Scolopaceus. Hier is een betere geluidsopname, waarbij de vogel ook in beeld komt: https://www.youtube.com/watch?v=eCFrRsBCKHc

Hoewel de roep van de koha flink op de zenuwen kan werken, aldus het artikel dat ik erover gevonden heb, wordt hij door zowel boeddhisten als hindoes geassocieerd met de komst van het nieuwe jaar, dat in hun jaartelling in april valt, en dus als een teken van geluk. In het Singalees wordt de vogel ook wel ‘avurudu koha’ genoemd, koha van het nieuwe jaar.

Een nieuw begin? Ik hoop het maar, ondanks alles. De aanslagplegers hebben het nieuwe jaar ingeluid door honderden levens te verwoesten en het land flinke economische schade toe te brengen. Ik hoop dat het daarbij blijft, dat het hun uiteindelijk niet zal lukken om verdeeldheid te zaaien, en dat de verzoening tussen de verschillende bevolkingsgroepen die de laatste jaren voorzichtig op gang begon te komen, juist een extra impuls krijgt.

Ik hoop ook dat de militante boeddhisten, die geweld prediken tegen met name de moslim minderheid in het land, in toom worden gehouden.

En dat de roep om een sterke man snel verstomt. Er stond er al eentje in de coulissen klaar, las ik ergens, een hoge militair die aan het einde van de burgeroorlog verschrikkelijk heeft huisgehouden onder de Tamil bevolking en daar nog nooit verantwoording voor heeft hoeven afleggen.

En dat de Saoedische investeringen in het land wat scherper in de gaten worden gehouden, wat we hier in Nederland trouwens ook zouden mogen doen, en dat we er wereldwijd voor zorgen dat het moorddadige regime in Riyadh niet langer overal mee wegkomt.

En ik hoop dat het toerisme in Sri Lanka weer snel op gang komt, wat je er verder ook van mag vinden. Zo vreemd leeg als wij het hebben meegemaakt zal het hopelijk niet lang blijven, maar nu is een goede tijd om te gaan! For real!

(ga verder naar deel 14: onze vriend uit Jaffna)

 

One Reply to “Het werd Sri Lanka (deel 13)”

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s